Hoe hield men zichzelf vroeger warm in huis?

Wij kunnen ons niet meer voorstellen hoe koud het vroeger in de huizen was. In de herd werd in de schouw een vuur gestookt en daar was het een paar graden warmer dan buiten. In de rest van het huis was het net zo koud als buiten. Omdat de winters veel kouder waren dan nu, kropen de mensen zo dicht mogelijk bij het vuur. Men zei dan: ‘Van achteren bevriezen en van voren verbranden’. Om het lijf warm te houden, droeg men in de winter veel kleren en legden de mensen voor het slapen gaan een kruik in bed. Een kruik is een koperen of tinnen fles die gevuld werd met warm water. Ook waren er in elk huishouden meerdere voetenstoven in huis. Dat zijn eenvoudige houten kistjes die aan een kant open waren en aan de bovenkant gaten hadden. In de stoof werd een test – een aardewerk bakje – geplaatst met daarin wat gloeiende kooltjes. Vrouwen die een zittend werkje moesten doen, zoals aardappelen schillen of kousen verstellen, zetten hun voeten op de stoof en sloegen hun lange, wijde rokken er over heen. De warmte trok daardoor naar boven. Dat gaf een weldadig gevoel.

Tekst-foto: Ineke Strouken

Deel deze post