Aardappelen werden in de negentiende eeuw volksvoedsel. De boeren aten met zijn allen uit één schaal. Met hun vork doopten ze de aardappel in gesmolten vet en aten ze dan op. Aardappels werden heel veel gegeten, maar dat is niet altijd zo geweest. Toen de aardappel vanuit Zuid-Amerika naar Nederland kwam, werd de knol vooral beschouwd als varkensvoedsel. Ons voedsel bestond tot dan vooral uit graanproducten, zoals brood en pap. Ook werden er veel uien, peulvruchten en wortelgewassen gegeten. Vooral door de mislukte graanoogsten op het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw gingen mensen aardappelen eten. De aardappelschillen gingen naar de varkens en de aardappels werden met zout en gesmolten reuzel gegeten. Wat overbleef werd de volgende dag opgebakken. De aardappels werden bewaard in de aardappelkelder. De bekendste Nederlandse aardappel zijn het Bintje en de Eigenheimer.
Tekst-foto: Ineke Strouken


